Georganiseerde illegale activiteiten Tilburg.

Uit Tilburg Wiki


Inleiding

De eerste reactie van het Nederlandse volk op de bezetting was niet die van verzet, maar van aanpassing aan de nieuwe situatie met het doel te overleven. Verheugend was dat de nieuwe Rijkscommissaris Seyss-Inquart verklaarde dat de Duitsers niet waren gekomen om het Nederlandse volkskarakter te onderdrukken. Dat werd nog eens bekrachtigd door het besluit dat de Nederlandse ambtenaren in functie zouden blijven. Verzet? Waartegen dan? De bezetter gedroeg zich correct. Betekende aanpassing dan sympathie voor de bezetter? Zonder meer niet. Over het algemeen was men anti-Duits. De Duitsers waren per slot van rekening overweldigers en wat er gebeurd was in Rotterdam, versterkte die anti-Duitse houding nog. Maar nog meer was men anti-NSB. De NSB-ers waren landverraders en dat was nog een graad erger. Aanpassen betekende dus ook niet het overnemen van de ideologie van de overweldigers. Verzet? Nee. Maar wel was men in voor een verzetje, voor grappen over Hitler, Goering, Goebbels, Seyss-Inquart en consorten, voor demonstraties van aanhankelijkheid aan het Koninklijk Huis (29 juni 1940, Anjerdag), voor demonstraties tegen de gehate NSB.


Verzet van het eerste uur.

Toch waren er wel illegale verzetskernen. De eerste generatie verzetsstrijders werd gekenmerkt door een vaderlandslievende dadendrang die, nadat de bezetting van Nederland een feit was, dwong om een daad te stellen, in plaats van afwachten en stilzitten. De eerste verzetsmensen - dikwijls oud-militairen - zetten na de capitulatie op 14 mei 1940 als het ware de strijd tegen de overweldiger voort. Naar hun mening was de Duitse nederlaag aanstaande. Het waren kleine groepjes activisten die in (los) contact stonden met soortgenoten elders en zich tooiden met namen waaruit dikwijls hun vaderlandslievendheid bleek. Zo ontstonden de paramilitaire verzetsgroepen de ‘Geuzen’, ‘Oranjewacht’, ‘Oranjegarde’, ‘Leeuwengarde’ en ‘Legioen van Oud-Frontstrijders’. Daarnaast was er de ‘Ordedienst’ (OD), een organisatie van oud-militairen die orde en gezag wilde handhaven, direct na de bevrijding. Strikt genomen was het geen verzetsorganisatie, maar leden ervan namen wel deel aan het verzetswerk. Wat deze groepen misten waren wapens, ervaring in het verzetswerk en inzicht in de methoden van de Duitse organisaties die belast waren met de bestrijding van het verzet. Daardoor waren zij door de Sicherheitspolizei vrij gemakkelijk op te rollen. Maar zij legden wel de basis voor de latere Knokploegen.

Het paramilitaire verzet in Tilburg. ‘Geuzen’, Óranjewacht’ en ‘Ordedienst’ waren ook vertegenwoordigd in Tilburg. In december 1940 werd op initiatief van Pieter Brinkman en Gerrit van de Linden uit Scheveningen (zij kenden elkaar uit hun militaire diensttijd) de groep ‘Oranjegarde Tilburg’ opgericht, die zich zou gaan bezighouden met stadsguerrilla. Over wapens beschikte men niet, maar via Van de Linden kwam men aan springstof uit oude legervoorraden. De activiteiten bleven daarom in eerste instantie beperkt tot het waarnemen van Duitse militaire activiteiten, zoals troepenverplaatsingen. De groep kreeg de nekslag in 1941. Tijdens experimenten met springstof in de woning van Van de Linden in Scheveningen ging er iets mis. Er volgde een geweldige explosie en in de woning ontstond brand. De Duitsers stelden een onderzoek in en vonden het adressenbestand van de groep. Van de Linden werd gefusilleerd. Pieter Brinkman werd op 6 september 1941 gearresteerd en overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen. In oktober 1941 werden alle Tilburgse leden gearresteerd en via de Willem II kazerne overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen. In november 1941 werden zij weer vrijgelaten, met uitzondering van drie leden, waaronder Pieter Brinkman. Hij overleed in gevangenschap in een ziekenhuis in Den Haag.


De slag die de groep ‘Oranjegarde Tilburg’ trof, was tekenend voor de neergang van het vooral door ex-militairen georganiseerde verzet van het eerste uur. De plaatselijke illegale organisaties hielden op te bestaan of staakten de activiteiten, zoals de ‘Ordedienst’.

Het geestelijk verzet in Tilburg. Een tweede tak van verzet was het geestelijk verzet, het verzet dat door middel van de illegale pers lezers waarschuwden voor de uiteindelijke bedoeling van de bezetters en opriep weerbaar te zijn tegen het nationaal-socialisme. Doel van bladen als ‘Het Parool’, ‘Vrij Nederland’, ‘De Geus’, ‘De Waarheid’ en ‘De Vrije Katheder’ was het afglijden naar het nationaal-socialisme te verhinderen.

Beide takken van verzet (paramilitair verzet en geestelijk verzet) zien wij samenkomen bij Jan van de Mortel, zoon van burgemeester Van de Mortel. Jan van de Mortel kwam in het voorjaar van 1941 terecht in het verzetswerk door zijn contacten met oud-militairen. De groep uit 's-Hertogenbosch, waar hij zich bij aansloot, wilde militair optreden zodra de Engelsen Nederland zouden bevrijden. In afwachting daarvan werkte de groep ook mee aan het verschijnen en verspreiden van illegale bladen. Minstens een keer per week pendelde Van de Mortel op en neer tussen Den Bosch en Tilburg. Hij nam dan foto’s en illegale bladen mee. Het materiaal werd in Tilburg afgeleverd bij de ijzerhandelaar Jan Eras, die als contactpersoon fungeerde. Op 14 december 1941 werd hij in de ouderlijke woning gearresteerd en overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen. Daar bleef hij tot 12 maart 1942. Daarna werd hij overgebracht naar Amersfoort en vervolgens weer terug naar Scheveningen, tot eind november 1942. Januari 1943 tot september 1944 verbleef hij in het kamp Vught. Bij de opheffing van het kamp, begin september 1944, werd hij overgebracht naar Sachsenhausen en vervolgens naar Neuengamme, Dessauerufer, Spaldingstrasse en Sandborstel, waar hij in mei 1945 door de Engelsen bevrijd werd, meer dood dan levend. Hij is de gevolgen van zijn gevangenschap nooit meer te boven gekomen en overleed op 11 oktober 1956 in het sanatorium Dekkerswald. In 1949 schreef hij zijn herinneringen aan het kamp Vught op. Het manuscript werd in 1990 gepubliceerd: Jan van de Mortel Kamp Vught, januari 1943 - september 1944.


Jan Eras werd op 9 september 1941 in Den Haag door de Duitsers gearresteerd. Tot midden februari 1942 zat hij gevangen in de strafgevangenis in Scheveningen. Daarna verbleef hij bijna drie jaar in verschillende concentratiekampen in Nederland en Duitsland, totdat hij op 29 december 1944 overleed in het kamp Vaihingen a.d. Ens.


Het communistisch verzet in Tilburg. De Communistische Partij Nederland (C.P.N.) is de enige partij geweest die, toen ze werd verboden door de Duitsers, en dat was al op 20 juli 1940, de stap heeft gedaan om als partij in de illegaliteit te gaan. Communisten waren per definitie antifascisten. Het omgekeerde gold trouwens ook. Het probleem bij het begin van de bezetting was dat Nazi Duitsland en de Sovjet-Unie kort voor het uitbreken van de oorlog (in augustus 1939) een niet-aanvalsverdrag hadden gesloten. Dat verhinderde de illegale C.P.N. niet om zich te verzetten tegen de Duitse onderdrukking van Nederland, maar wel om te kiezen voor Engeland en de naar Engeland uitgeweken Nederlandse regering. Daardoor stond het communistisch verzet in Nederland geïsoleerd. Aan dit isolement kwam een eind toen Duitsland op 22 juni 1941 de Sovjet-Unie binnenviel en de Sovjet-Unie daardoor toetrad tot het kamp van de geallieerden.

Kort na het begin van de bezetting vergaderden de Tilburgse communisten (40 tot 50 man) en besloten de illegale krant ‘Vrede-Vrijheid’ uit te gaan geven, om te waarschuwen tegen de plannen en bedoelingen van de bezetters en om de geest van verzet aan te wakkeren. Nog voor het eerste nummer verscheen, werden de in Tilburg bekende communisten (ongeveer 10 personen) gearresteerd en overgebracht naar de Aussenstelle van de Sicherheitspolizei in ’s-Hertogenbosch (ze werden enkele maanden later weer vrijgelaten). Desondanks verscheen in november 1940 het eerste nummer van ‘Vrede-Vrijheid’, uitgegeven door de ‘illegale’ Tilburgse communisten (leden van de C.P.N. waarvan het lidmaatschap niet bekend was) en sympathisanten. ‘Vrede-Vrijheid’ zou verschijnen tot augustus 1943, waarna het blad een onderdeel werd van de landelijke uitgave van de illegale C.P.N: ‘De Waarheid’. Het blad, groot één of twee A4-velletjes, verscheen om de twee à drie weken in een oplage tussen 80 en 180 exemplaren. Men beschikte over een stencilmachine die voortdurend van adres veranderde om opsporing door de bezetter te bemoeilijken. Het blad werd door 8 tot 12 mensen verspreid over vertrouwde adressen in de stad met het verzoek om het na lezing weer door te geven. Daarnaast werden exemplaren neergelegd in fabrieken. De teksten werden zelf geschreven. Ook werd wel kopij gebracht door een koerier uit Amsterdam.

De Duitse inval in de Sovjet-Unie (op 22 juni 1941) leidde tot een jacht op communisten, met name verspreiders en afnemers van communistische illegale bladen. Met de arrestaties van onder andere Jo de Lepper, Sjef Doedee en Franske Swolfs op 25 juni 1941, werd de Tilburgse illegale leiding uitgeschakeld. Maar de uitgave van ‘Vrede-Vrijheid’ ging door. Martinus Broers en Jozef Bruijelle werden gearresteerd vanwege hun communisische sympathieën en kwamen in het concentraiekamp om het leven.


De dood als metgezel.

Verzet kent daden die verborgen waren en verborgen bleven, waarover alleen in kleine kring gepraat werd en wordt. Verzet kent ook daden die na de bezetting algemeen bekend werden, die nog steeds tot de verbeelding spreken en zijn opgenomen in de geschiedenis. Verzet kent de naamloze verzetsmensen die in het verborgen werkten en ook na de oorlog verborgen bleven. Verzet kent ook verzetsmensen die na de oorlog de ‘boegbeelden’ werden van het lokale, misschien wel het landelijke verzet.

24 Januari 1944: de voorgenomen aanslag op Piet Gerrits. Het is ronduit tragisch dat een aanslag die niet kon worden uitgevoerd, geleid heeft tot de terechtstelling van vijf Tilburgers: Wim Berkelmans, ambtenaar van het Tilburgse Bevolkingsregister, Rob van Spaendonck, textielfabrikant, Harry Verbunt, ambtenaar, Barend Busnac, kantoorbediende en Albert Meintser, eveneens kantoorbediende (zij kwamen beiden uit Amsterdam, maar waren ingeschreven in Tilburg). Terechtgesteld werd ook Jan de Jong, onderhopman bij de Nederlandse Arbeidsdienst, uit Doorn.

Begin januari 1944 spraken van Spaendonck, Berkelmans, Verbunt en Van Beek, agent van politie, af dat een aanslag gepleegd moest worden op Piet Gerrits, een verlengstuk van de Sicherheitsdienst bij het Tilburgse politiecorps, om groter kwaad te voorkomen. Voor de uitvoering daarvan zond Berkelmans, die intussen in Amsterdam was ondergedoken, Barend Busnac en Albert Meintser. Afgesproken werd dat de aanslag zou plaatsvinden op 19 januari 1944 en uitgevoerd zou worden door Van Beek, Busnac en Meintser.

De aanslag ging toen niet door, omdat Gerrits op dat ogenblik niet in Tilburg was. De datum voor de aanslag werd daarop verschoven naar 24 januari. Omdat men in de capaciteiten van Busnac en Meintser niet veel vertrouwen had, werd Joop Kerstens uit Nijmegen gevraagd aan de aanslag deel te nemen. Maar omdat hij zich niet op tijd meldde, werd Berkelmans gebeld om toch maar Meintser en Busnac weer te sturen. Omdat Kerstens toch nog voor het geplande moment van de aanslag arriveerde, werd afgesproken dat hij en Van Beek de aanslag zouden plegen en dat Meintser en Busnac achter Gerrits zouden fietsen om zich na de aanslag meester te maken van zijn aktetas met officiële papieren. Kerstens en Van Beek zouden Gerrits opwachten en neerschieten op het kruispunt Nieuwlandstraat/hoek Noordstraat. Het was het punt dat Gerrits op weg naar huis normaal passeerde.

De aanslag ging niet door. Om kwart voor elf ’s avonds zag het viertal Gerrits vanuit het hoofdbureau van politie komen. Van Beek en Kerstens begaven zich naar de afgesproken plaats, maar wachtten tevergeefs. Gerrits was de Nieuwlandstraat inderdaad ingereden, maar zag dat achter hem twee mannen (Meintser en Busnac) zonder licht reden. Hij hield ze aan. Meintser liet zijn papieren zien. Busnac sloeg op de vlucht. Gerrits keerde daarop met Meintser terug naar het hoofdbureau, niet wetende welke vangst hij had gedaan en niet wetend dat hij ongewild een aanslag ontliep.

Toen Busnac zich na twee dagen op het hoofdbureau meldde om te vragen naar zijn vriend Meintser, kreeg Gerrits argwaan. Hij kwam er achter dat Busnac Van Beek kende en merkte dat Van Beek ondergedoken was. Hij informeerde de Sicherheitsdienst die Meintser en Busnac overnam. Bij de SD werd de naam genoemd van Verbunt die in Doorn ondergedoken zat bij De Jong. Verbunt en De Jong werden aangehouden. Enige tijd later werd Berkelmans aangehouden in Arnhem. Als laatste werd van Spaendonck, die gezien werd als drijvende kracht, aangehouden in Tilburg. Tijdens een zitting in het kamp Haaren werden zij ter dood veroordeeld en op 26 mei 1944 werden zij in de Drunense Duinen geëxecuteerd. Waar zij begraven liggen is tot op heden onbekend. (De overlijdensakten werd in Tilburg opgemaakt)


25 Januari 1944: betrokken bij de overval op de afdeling Bevolking? De dag na de mislukte aanslag op Gerrits vond er in samenwerking met ambtenaren van de afdeling Bevolking, een overval plaats op deze afdeling door de K(nok)P(loeg)-Soest, één van de belangrijkste ‘wapenfeiten’ uit de geschiedenis van de Nederlandse illegaliteit.

Doel was het zich meester maken van de zogenaamde Rauterzegeltjes die geplakt moesten worden in een nieuwe tweede distributiestamkaart, nadat gecontroleerd was of de nieuwe eigenaar van de distributiestamkaart wellicht gezocht werd door de Duitsers. De ondergrondse beweging plakte die zegeltjes dus liever zelf. Het scenario voor de overval werd geschreven door Jan Poort, chef van het Evacuatiebureau, onderafdeling van de afdeling Bevolking. Het plan voorzag erin dat de sleutels van de kluis en van de brandkast daarbinnen buiten het kantoor ontfutseld zouden worden aan de directeur van de afdeling en in handen gespeeld zouden worden van Huub Simons, ambtenaar op de afdeling. Hij zou dan de zegeltjes uit de kluis en de brandkast daarbinnen pakken en overgeven aan de KP-Soest.

Dat gebeurde ook en zo verdwenen 105.000 ‘Rauterzegeltjes’. Pas een dag later werd de vermissing geconstateerd. Veel aanknopingspunten had de Sicherheitspolizei niet. Alleen de naam van Huub Simons was bekend. Verder werden nog verdacht vijf onbekende personen. Als verdacht van betrokkenheid bij de KP-Soest werd op 3 februari 1944 Petrus Muselaers gearresteerd:


9 Juli 1944: de moord in de Diepenstraat. Coba Pulskens is in Tilburg het symbool geworden van een heldin en martelares, en vertegenwoordigster van alle in het verzet omgekomen inwoners van Tilburg. In 1942 nam zij enkele joodse onderduikers op in haar woning. Kort daarna doken drie Limburgse verzetsmensen bij haar onder en geallieerde piloten die door of namens een Limburgse verzetsgroep vanuit Limburg werden overgebracht. De infiltratie in de Limburgse verzetsgroep door drie V(ertrauens)-Männer, schrikte haar zo af dat zij zich in november 1943 terugtrok uit het onderduikwerk. Op 8 juli 1944 was zij bereid om voor enkele dagen onderdak te geven aan vijf piloten die overgebracht zouden worden door leden van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) uit Eindhoven. Drie piloten werden nog dezelfde dag gebracht, maar het tweede transport van twee piloten werd bij Moergestel door de Duitsers onderschept. De volgende dag, zondag 9 juli 1944, deed de Sicherheitspolizei een inval in haar woning in de Diepenstraat. De drie aanwezige piloten, Roy E. Carter, Ronald A. Walker en Jack Steward Nott, werden achter het huis neergeschoten door een lid van het overvalcommando. Wat er precies gebeurd is, weten wij niet. Is er sprake geweest van een doelbewuste executie? Of reageerde de Duitser die hen neerschoot, impulsief op een plotselinge beweging van één van de piloten, die hij uitlegde als een poging tot vluchten? Wij weten het niet.

Coba werd gearresteerd en via Haaren naar Vught overgebracht. Met de ontruiming van Vught, begin september 1944, werd zij overgebracht naar Ravensbrück waar zij in februari 1945 overleed. Op 2 februari 1947 werd in de gevel van haar huis een gedenksteen onthuld en ingezegend.

Tilburgse leden van de ‘Trouw’-groep. Joost van de Mortel, jongere broer van Jan van de Mortel, verrichtte vele soorten illegaal werk. Hij hielp de Franse generaal Giraud, die ontvlucht was uit Duitse krijgsgevangenschap, terug te keren naar Frankrijk. Hij verzamelde wapens van de Duitsers en zorgde ervoor dat deze terechtkwamen op een illegale verzamelplaats in de Peel. Hij organiseerde overvallen op gemeentehuizen en distributiekantoren. Hij zorgde voor valse passen en persoonsbewijzen voor degenen die door de Duitsers gezocht werden. Hij was actief betrokken bij de verzorging van onderduikers en geallieerde piloten. Hij hield zich bezig met spionage en had een geheime zender.

Hij was een van de hoofdfiguren in Zuid-Nederland van de verzetsgroep ‘Trouw’ en zorgde daar voor de distributie van het gelijknamige blad. Vanaf september 1943 slaagde de bezetter erin om medewerkers van ‘Trouw’ te arresteren. Het had geen effect. De opengevallen plaatsen konden worden opgevuld en in steeds groter wordende oplage bleef het blad verschijnen. Joost van de Mortel werd op 13 april 1944 in Tilburg gearresteerd en overgebracht naar Haaren. Hij werd eind juli met 22 andere medewerkers door een Polizeistandgericht in Haaren ter dood veroordeeld. Het Standgericht motiveerde het vonnis als volgt:

- ‘Alle veroordeelden waren vooraanstaande actief deelnemende leden van een organisatie tot het verspreiden van ophitsende geschriften. Allen waren reeds voor de oprichting dezer organisatie werkzaam in andere illegale verenigingen. Volgens een bepaalde organisatieplan namen zij deel aan de samenstelling en verspreiding van een vrij omvangrijk illegaal ophitsend geschrift, dat den laatsten tijd openlijk opriep tot strijd tegen de bezettende macht.’

In feite probeerden de Duitsers met deze doodvonnissen in de hand, de verschijning van ‘Trouw’ onmogelijk te maken. Tegen de belofte van de kant van ‘Trouw’ dat het blad niet meer zou verschijnen, zouden de doodvonnissen niet uitgevoerd worden. Het ultimatum liep af op 9 augustus 1944, om 10 uur 's morgens. Op 5 augustus werden de ter dood veroordeelden naar het kamp Vught overgebracht. Toen de tijd verstreek zonder dat er een antwoord kwam van de zijde van ‘Trouw’, werden in de avond van 9 augustus 12 man en de volgende avond 11 man gefusilleerd.


Tot de illegale ‘Trouw’-groep hoorde ook Frans van Spaendonck, student aan de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg en jongere broer van Rob van Spaendonck, die op 26 mei 1944 gefusilleerd werd in verband met zijn betrokkenheid bij de mislukte aanslag op Piet Gerrits. Ook was hij verbonden aan het illegale blad ‘St. Christofoor’. Hij werd op 12 mei 1944 door Gerrits gearresteerd en in het ‘Trouw’-proces tot levenslange tuchthuisstraf veroordeeld. Hij verbleef in Bergen-Belsen, werd later overgebracht naar Sachsenhausen (buitencommando Klinker) en vervolgens naar Buchenwald, waar hij overleden is.

- ‘Met Frans van Spaendonck is het wat anders. Frans werkte bij Klinker, een buitencommando op vier à vijf kilometer van Sachsenhausen. Het is een groot kamp, waar vele gevangenen werken voor de oorlogsbehoeften - munitie voornamelijk. Maar men verricht er ook graaf- en bouwarbeid. Frans is een groote kerel uit Tilburg, waar hij studeert en tevens zijn vader assisteert in de fabriek. Ik heb hem zien vertrekken naar Klinker, forsch, stevig, moedig. Nu is hij teruggekomen, zwaar ziek, uitgeput, stil. Hij ziet er uit als een verloopen man, zoo armzalig gekleed, dat men het zich niet voorstellen kan.[…] Frans is genezen. Na zijn genezing is hij naar Buchenwald vervoerd. Vóór hij vertrok sprak hij mij over zijn kind dat hij niet kende, dat tijdens zijn gevangenschap geboren was. Hij had haast zijn vrouw en zijn kind weer te vinden. Deze hoop en de weinige levensmiddelen, die ik hem kon meegeven, waren zijn eenige bagage op zijn reis naar Buchenwald. Ik ben nooit het aangeboden glas wijn bij hem gaan drinken. Ik heb slechts zijn vrouw kunnen vertellen hoe flink en moedig hij geweest was en welke hoop hij koesterde, toen hij de laatste etappe van zijn leven begon.


Verzet in soorten.

Algemeen. Al naargelang de verzetsactiviteiten, verdelen we het georganiseerde verzet in soorten verzet: • Een van de oudste vormen was het geestelijk verzet, dat via illegale bladen een geestelijke tegengif wilde geven tegen de ideologie van het nationaal-socialisme, hoop wilde geven op de uiteindelijke nederlaag van de bezetter en zo een geest van verzet en geestelijke weerbaarheid wilde oproepen en versterken. • Een belangrijke vorm van verzet was het administratieve verzet, het verzet van ambtenaren die onder andere door vervalsing van papieren en gegevens of door het laten verdwijnen daarvan, er in slaagden om mensen te vrijwaren voor verplichte diensten en vervolgden voorzagen van een nieuwe identiteit (op papier). • Het administratieve verzet stond weer in contact met het onderduikwerk, het zorgen voor mensen die gezocht werden door de bezetter en daarom onderdoken. Het onderduikwerk nam vanaf de eerste helft van 1942 een steeds grotere omvang aan. Een steeds grotere groep (uiteindelijk ongeveer 300.000 mensen) onttrok zich aan de maatregelen van de bezetter door onder te duiken. Zij moesten geholpen worden aan een onderduikadres, voorzien worden van distributiepapieren, valse persoonsbewijzen, enzovoort en financieel gesteund worden. Het onderduikwerk werd sinds 1943 landelijk georganiseerd in de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), die in de zomer van 1944 tussen de 12.000 en 14.000 medewerkers kende. • Verwant met het onderduikwerk was het escapewerk, de zorg voor neergeschoten geallieerde piloten en uit Duitsland ontsnapte krijgsgevangenen, die geholpen moesten worden op de weg terug naar Engeland. • De Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers had op zijn beurt weer contact met de vijfde categorie van het verzet: het gewapende verzet of paramilitair verzet, de Knokploegen. Gewapend verzet was vooral gericht op de ondermijning van de militaire macht van de bezetter, op de militaire bestrijding van die bezetter. Maar militaire actie had alleen zin als het paste in de strijd van de geallieerden om de Duitsers uit Nederland te verdrijven. En dat was pas vanaf september/oktober 1944. Tot dat moment verleenden veel gewapende verzetsmensen, op verzoek van de LO, medewerking aan het onderduikwerk en escapewerk. Zij maakten zich met de wapens in de hand meester van (blanco) papieren, distributiebescheiden, enzovoort, nodig voor de valse identiteit en voeding van de onderduiker. Zij vernietigden ook gegevens over onderduikers en door de bezetter bedreigde groepen. De knokploegen werden door de LO samengebracht in de Landelijke Knokploegen(LKP). • De laatste categorie van het verzetswerk was de spionage, het op indirecte manier ondermijnen van de militaire positie van de bezetter door het doorspelen van Duitse militaire gegevens aan de geallieerden.

We stellen ons het illegaal werk nu voor als een keurig bedrijf met keurige afdelingen, maar het is dikwijls moeilijk verzetsmensen in een of andere categorie te stoppen. Sommige verzetsmensen waren inderdaad gespecialiseerd in een bepaald soort verzetswerk, maar er waren er ook die oppakten wat hen voor de voeten kwam. Ook stellen we ons misschien voor dat het verzet in één grote organisatie was ondergebracht. In werkelijkheid was er een veelheid aan landelijke organisaties en daarnaast waren er vrije groepen of verzetsmensen die nergens bij aangesloten waren, zelfstandig werkten of hun diensten nu eens aan de ene en dan weer aan de andere organisatie aanboden. Wat wij de illegaliteit noemen was dus behoorlijk ondoorzichtig.

Karakter van het verzet in Tilburg. Het georganiseerde verzet in Tilburg was vooral administratief verzet (uitgaande van de Gemeentesecretarie, het Gewestelijk Arbeidsbureau en de Distributiedienst), onderduikwerk, escapewerk en geestelijk verzet. Het gewapend verzet kwam veel minder tot ontwikkeling. Toen na de bevrijding van Tilburg een Tilburgse compagnie van de Stoottroepen mocht worden geformeerd uit het gewapend verzet, moest er heel veel water in de gewapende verzetswijn gedaan worden voordat de compagnie kon worden samengesteld, doodeenvoudig omdat er te weinig leden waren uit het Tilburgse gewapende verzet.

Persoonlijke instellingen
Varianten
Handelingen